Auteur: Martijn Arnoldus

De BVm. Ruim kostuum, strak pakkie of de nieuwe kleren van de keizer?

Over nut en noodzaak van een aparte rechtsvorm voor sociale ondernemingen wordt al jarenlang gediscussieerd. Het is lovenswaardig dat nu, met de BVm, uiteindelijk de stap richting wetgeving wordt gezet. Met zoveel stemmen en zoveel meningen als zich in de afgelopen jaren in het debat hebben gemengd, zou op elk voorstel wel het nodige af te dingen zijn geweest. Dat geldt dus ook voor de contourschets voor de wet waarmee de BVm moet worden geregeld. Hoewel er ongetwijfeld heel wat uitgebreide en gedetailleerde reacties binnenkomen bij de internetconsultatie, wil ik me beperken tot een paar, wat algemenere opmerkingen bij de uiteindelijke bedoeling van de wettelijke regeling voor de BVm.

Brede ondersteuning voor breed ondernemerschap

Ondernemende studenten, en ook ondernemende medewerkers in het mbo en hoger onderwijs hebben toegang tot een unieke support-infrastructuur. Vrijwel elke onderwijsinstelling biedt onderwijsmodules, begeleidingsprogramma’s en faciliteiten om studenten te helpen ondernemerschapsvaardigheden te ontwikkelen. Bij tal van instellingen is die ondersteuning bovendien beschikbaar ‘onder één dak’ bij Centers of Entrepreneurship. Maar terwijl die praktische support meestal is gericht op het starten en laten groeien van een eigen onderneming, is in het onderwijs een beweging gaande richting een bredere invulling van ondernemerschap. Die leidt, voor zover dat niet al het geval is, vroeg of laat tot nieuwe, bredere ondersteuningsbehoeften en -kansen.